3.9.2 Mogelijke inrichting gemeenschappelijke vluchtroutes (stroomschema’s)

Ofschoon verreweg de meeste doden en gewonden als gevolg van brand in woningen te betreuren zijn, mag dit uiteraard niet betekenen dat onvoldoende aandacht wordt besteed aan de vluchtroutes vanaf het verlaten van de woningen. Voor constructie-onderdelen deel uitmakend van het bouwwerk zijn er in het Bouwbesluit prestatie-eisen opgenomen t.a.v. de brand- en rookklasse. Het is opmerkelijk dat het Bouwbesluit geen prestatie-eisen kent voor inrichting en ontstekingsbronnen.

Wel zijn er in hoofdstuk 7 een aantal kapstokartikelen te vinden waar in specifieke gevallen van gebruik kan worden gemaakt

Zie bijvoorbeeld:

Artikel 7.10 Bouwbesluit. Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand:

Onverminderd het bij of krachtens het Bouwbesluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor:

  1. brandgevaar wordt veroorzaakt, of
  2. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt.

Artikel 7.16 Bouwbesluit: Restrisico veilig vluchten bij brand

Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen te veroorzaken waardoor:

  1. melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
  2. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of
  3. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.

Echter, uit de toelichting blijkt dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat de gemeente algemene aanvullende of nadere eisen stelt oftewel de restrisico artikelen in algemene zin toepast. Verder “Voorts moeten de geëiste maatregelen altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen”.

Wellicht dat het ontbreken van een harde juridische basis reden is dat gemeenten weinig tot niet over gaan tot het toepassen van bestuursdwang in geval van variabele vuurlast en ontstekingsbronnen in gemeenschappelijke vluchtroutes. Sterker nog, de afgelopen jaren zijn op basis van de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) in opdracht van gemeenten veel oplaadpunten voor scootmobielen in gemeenschappelijke vluchtroutes aangelegd.

Daarbij gaven ook gerenommeerde adviesbureaus waaronder Nieman (Handreiking Brandveilig gebruik van vluchtroutes, 2020) aan welke vuurlast gelet op de regelgeving acceptabel is. Zo wordt afhankelijk van de omvang van de verkeersruimte meubilair en ontstekingsbronnen t/m elektrische scootmobielen met laadmogelijkheid toelaatbaar geacht.

Genoemd wordt de Handreiking van Nieman aangezien bijvoorbeeld Aedes hier ook naar verwijst.

Voorblad Handreiking Brandveilig gebruik van vluchtroutes. Auteur: ir. Ruud van Herpen. In opdracht van Woningstichting Woongenoot, Nijmegen vervaardigd.

Ondanks het feit dat de brandweer al diverse malen heeft kenbaar gemaakt dat vuurlast en met name ontstekingsbronnen zeker in (extra)beschermde vluchtroutes verboden zou moeten zijn of in elk geval tot een minimum beperkt moet blijven, is het dan ook niet vreemd dat gelet op het ontbreken van duidelijke regelgeving de variabele vuurlast, waaronder scootmobielen, de afgelopen jaren eerder toe- dan afgenomen is.

GBB heeft reeds jaren geleden in de vorm van stroomschema’s beleid voorgesteld om te bereiken dat vuurlast en met name ontstekingsbronnen in de vorm van elektrische hulpmiddelen in vluchtroutes beperkt blijft en als al toegestaan slechts onder strikte voorwaarden geaccepteerd kan worden. Niet alleen blijken veel gebouweigenaren dit beleid toe te passen doch ook te kiezen voor een sterfhuisconstructie waarbij een tijdspad is aangegeven waarbinnen de vluchtroutes in elk geval volledig vrij moeten zijn van scootmobielen en andere hulpmiddelen voorzien van accu’s.

Een tijdspad waar elke gebouweigenaar concreet invulling aan moet geven indien het advies ‘Gebruikseisen vluchtroutes woongebouwen’ van het Interdepartementaal Overleg Bouwregelgeving en Juridisch-Technische Commissie in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt opgenomen.

Geadviseerd wordt namelijk om de volgende artikelen aan het Bbl toe te voegen:

artikel 6.18a (Vluchtroute woongebouw):

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandbare objecten aanwezig. Onder brandbare objecten worden in ieder geval verstaan:

  1. meubilair, met uitzondering van meubilair dat volledig onbrandbaar is volgens NEN 6064;
  2. elektrische vervoersmiddelen;
  3. huisvuil, grofvuil, oud papier;
  4. decoratie, met uitzondering van decoratie dat volledig onbrandbaar is volgens NEN 6064.

Toelichting

De specifieke zorgplicht in artikel 6.4 ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken, wordt met dit nieuwe artikel 6.18a concreet gemaakt voor wat betreft de gemeenschappelijke verkeersruimtes in woongebouwen waardoor een vluchtroute voert. Het artikel 6.18a valt onder paragraaf § 6.2.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand. Artikel 6.18a beoogt dat er in de betreffende verkeersruimtes geen brand kan ontstaan als gevolg van de aanwezigheid van brandbare objecten.

artikel 6.24a (Vluchtroute woongebouw):

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die een belemmering zijn voor het vluchten. Onder de objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt tenzij er ten minste een beschikbare breedte overblijft van 1,2 m.

Toelichting

De specifieke zorgplicht in artikel 6.4 ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken, wordt met dit nieuwe artikel 6.24a concreet gemaakt voor wat betreft de gemeenschappelijke verkeersruimtes in woongebouwen waardoor een vluchtroute voert. Het artikel 6.24a valt onder § 6.2.2 Veilig vluchten bij brand. Artikel 6.24a beoogt dat de verkeersruimtes vrij worden gehouden van objecten die het vluchten kunnen belemmeren. Met de laatste zin van het artikel wordt aangegeven welke objecten in ieder geval niet in vluchtwegen geplaatst mogen worden.

De gemeenschappelijke verkeersruimten in een woongebouw waardoor een vluchtroute voert moeten op grond van bestaande artikelen in het Bbl een bepaalde minimum bouwkundige vrije breedte hebben in relatie tot het vluchten bij brand. Voor bestaande bouw geldt een minimum van 0,5 m (artikel 3.59) en voor nieuwbouw 1,2 m (artikel 4.78). Voor bestaande bouw is in algemeen sprake van een vrije breedte die hoger is (rechtens verkregen niveau) dan de eisen voor bestaande bouw. Dit rechtens verkregen niveau moet in stand worden gehouden. Het nieuwe artikel 6.24a ziet niet toe op de bouwkundige vrije breedte, maar het op plaatsen van objecten waardoor deze vrije breedte bij gebruik wordt ingeperkt. In artikel 6.24 a is het uitgangspunt gehanteerd dat de aanwezige vrije breedte in principe niet minder mag worden door deze objecten. Alleen als de bouwkundige vrije breedte meer is dan de 1,2 meter mogen er objecten zijn zolang de beschikbare breedte ten minste 1,2 m is. Dit betekent dat men geen objecten mag plaatsen in de gemeenschappelijke gang, trap of hal tenzij deze breder zijn dan 1,2 m.

Ook indien voornoemde artikelen niet worden opgenomen in het Bbl (inwerkingtreding 1 juli 2023), dan is het niet alleen gewenst aan de stroomschema’s opgenomen op de volgende pagina’s te voldoen doch ook na te streven dat maximaal binnen 3 jaar ALLE vuurlast met ontstekingsbron uit de vluchtroutes verwijderd is.

Aanwezigheid aankleding/ versiering in gemeenschappelijke vluchtroutes:

stroomschema 4: aanwezigheid aankleding/ versiering (tapijt, deurmat, wandkleed, schilderij, foto, planten, slingers, e.d.).

NB uitvoering eenvoudige brandproef bij bestaande stoffering.

  • Neem een monster (5 x 25 cm) van het materiaal
  • Houdt een uiteinde van het monster gedurende minimaal 5 seconden in een vlam, bijvoorbeeld een aansteker of lucifer
  • Wanneer het proefstuk vlam heeft gevat of nadat de 5 seconden verstreken zijn neemt u de ontstekingsbron weg
  • Materiaal voldoet indien:
    a. tijdens de verhitting geen druppels vrijkomen (al of niet brandend of druipend)
    b.  tijdens de verhitting geen roetvlokken vrijkomen
    c.  materiaal heeft geen vlamgevat of vlammen doven direct nadat aansteker of lucifer is weggenomen

Aanwezigheid meubilair in gemeenschappelijke vluchtroutes:

stroomschema 5: aanwezigheid meubilair (stoelen, tafels, kasten, e.d.).

Aanwezigheid elektrische hulpmiddelen in gemeenschappelijke vluchtroutes:

stroomschema 6: aanwezigheid elektrische hulpmiddelen (scootmobielen, elektrische rolstoelen en elektrische fietsen).

Toelichting stroomschema elektrische hulpmiddelen:

1. indien er voldoende scootmobielplaatsen in algemene ruimten aanwezig of relatief gemakkelijk te realiseren zijn (eigen beleid gebouweigenaar) dient hiervan gebruik te worden gemaakt. Het betreft algemene ruimten die minimaal 30 minuten brandwerend van de woningen en verkeersruimten waar personen die de woningen ontvluchten van gebruik zullen/ kunnen maken afgescheiden zijn. Indien een buitenruimte wordt gerealiseerd kan de brandwerendheid worden bereikt door de ruimte op een minimale afstand van 5 meter van het woongebouw te plaatsen. Het is overigens niet vereist dat de ruimte waarin de scootmobielen staan c.q. opgeladen worden van alle omliggende ruimten brandwerend afgescheiden moet zijn. Zo mogen scootmobielen worden geplaatst in een brandcompartiment zoals een fietsenberging, een stallingsruimte voor auto’s of een andere ruimte mits dat compartiment brandwerend is afgescheiden van de woningen en bijbehorende vluchtroutes.

2. deze voorwaarde betekent onder meer dat het onder geen voorwaarde toegestaan is om scootmobielen of andere hulpmiddelen met accu onder te brengen in portieketage flats. Woningen beschikken daar namelijk maar over één vluchtroute (het trappenhuis). In geval van een galerij- of corridorflat kan in de regel wel vanuit elke woning in twee richtingen worden gevlucht. Indien sprake is van een besloten vluchtroute (corridor, besloten galerij) dan dient in beide richtingen binnen 30 meter:
a. de uitgang van het gebouw te worden bereikt, of
b. in elk geval de vluchtroute door een andere ruimte te voeren. Dit kan bijvoorbeeld zijn het bereiken van een ander deel van de vluchtroute gelegen in dezelfde gang of het bereiken van een trappenhuis. In beide gevallen via het passeren van een rookwerende zelfsluitende deur.

3. nadat de scootmobiel gestald is dient er in de vluchtroute een minimale netto breedte van 850 mm aanwezig te zijn.
Ten aanzien van de netto breedte dient gemeten te worden vanaf het uiteinde van de scootmobiel tot aan de andere zijde aanwezige wand/ deur. Bij het meten mogen geen vaste inrichtingselementen buiten beschouwing worden gelaten (bijvoorbeeld een deurklink, wandarmatuur of wandrailing). Ter plaatse van deze elementen dient in elk geval een netto-breedte van 850 mm aanwezig te zijn.

figuur 18: minimale vrije breedte naast elektrisch hulpmiddel

4. opdat een scootmobiel of ander elektrisch hulpmiddel een niet te groot obstakel vormt bij het vluchten dient een minimale afstand aanwezig te zijn van 750 mm ten opzichte van:

  • een toegang van een woning
  • een vluchttrappenhuis
  • een deur die toegang geeft tot een gemeenschappelijke verblijfsruimte
  • een liftdeur
  • brandveiligheidsvoorzieningen (handbrandblusser, aansluitpunt droge stijgleiding, brandslanghaspel)
    onderlinge afstand tussen elektrische hulpmiddelen onderling of elektrische hulpmiddelen en meubilair (tenzij onbrandbaar) minimaal 2 meter.

5. Elektrische hulpmiddelen dienen in een veilige omgeving te worden geplaatst. Wanden, plafonds en vloeren van de verkeersruimte waarin deze geplaatst zijn moeten uit brandveilige materialen bestaan. Wanden dienen te voldoen aan brandklasse B en vloeren Cfl. (beide cf. NEN 13501-1) Dat willen zeggen dat wanden, plafonds en vloeren uit steenachtige materialen bestaan. Bijvoorbeeld tegels, stucwerk, metselwerk, (deels) hardhouten betimmering bij wanden en plafonds en tegels, cementdekvloer, hardhouten delen, gietvloer bij vloeren, bordessen en traptreden. Een afwerking van bijvoorbeeld PVC of tapijt (vloer) is akkoord indien aangetoond kan worden dat brandklasse voldoet aan Cfl.

6. de verkeersruimte waar het elektrisch hulpmiddel is geplaatst dient brandwerend (minimaal 20 minuten – bestaande bouw) afgescheiden te zijn van de omliggende ruimten. Denk met name aan deurconstructies van woningen, toegangen tot algemenen ruimten en bergruimten. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ruimten waar de vuurlast en ontstekingsbronnen zeer gering zijn, zoals toilet- en badruimten, meterruimten, kleine poetskasten en vergelijkbare ruimten.

7. De vluchtroute moet zowel voor personen die de woningen moeten ontvluchten als personen die hulp moeten bieden (reddings- en bluswerkzaamheden) voldoende vrij zijn van obstakels. Waar al obstakels zijn toegestaan, dient er in elk geval voor worden gezorgd dat deze obstakels aan één zijde van de vluchtruimte staan, oftewel één zijde vrij is van alle obstakels (met name meubilair en elektrische hulpmiddelen).

8. Indien al elektrische hulpmiddelen toegestaan zijn (voldaan wordt aan voorgenoemde toetscriteria), dan dient aanvullend aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

  • algemeen rookverbod/ verbod op open vuur (kaars, waxinelichtje, e.d.);
  • aanwezigheid van een lithium (schuim)blusser minimaal 6 kg/l;
  • gekoppelde detectie in de verkeersruimte (minimaal lithium 10 jaar batterij) waar elektrische hulpmiddelen aanwezig zijn. De rookmelders mogen maximaal 5 meter verwijderd zijn van de toegangsdeur van een op de verkeersruimte aangewezen woning. De detectie hoeft derhalve niet gekoppeld te worden aan de melders in de woning;
  • de verkeersruimte moet voldoende geventileerd zijn. Voldoende is een ventilatiecapaciteit van tenminste 0,5 dm³/s per m² oppervlakte. Stel de verkeersruimte heeft een oppervlakte van 1,6 m (breedte) en 30 m (lengte) dan is in dat geval dus vereist een ventilatie van 15 dm³/s (54 m³/uur). Bij natuurlijke toevoer en afvoer respectievelijk: 54 * 12 = 648 cm² en 54 * 10 = 540 cm² en mechanisch 54 m²/uur;
  • de verkeersruimte moet voorzien zijn van noodverlichting. Bij uitval van de elektriciteit binnen 15 seconden een lichtsterkte van minimaal 1 lux gedurende minimaal 60 minuten op vloerniveau aanwezig moet zijn;
  • op de grond moet een markering aangebracht worden zodat duidelijk is waar de elektrische hulpmiddelen opgesteld mogen staan. Dit is ook in verband met de handhaving gewenst. Indien er een elektrische hulpmiddel buiten de markering aanwezig is, betekent dit per definitie dat deze niet toegestaan is;
  • geen voorwaarde maar wel zeer gewenst is om slechts de mogelijkheid te bieden om een elektrisch hulpmiddel in een gemeenschappelijke verkeersruimte tussen 07:30u ’s morgens en 22:30u ’s avonds op te laden. M.a.w. met name in de tijd dat veel personen wakker zijn laden en derhalve zowel de ontdekkingstijd en vluchttijd beperkter dan in de nachtelijke uren.
error: Inhoud is beschermd.